CD&V wil snel beleidskader voor nieuwe woonvormen

18 april 2017

CD&V wil snel beleidskader voor nieuwe woonvormen

 

In 2040 woont de Vlaming dichter bij elkaar. Iedere dag verdwijnt zes hectare open ruimte, dus in plaats van bij te bouwen, moeten we meer creatieve oplossingen vinden met de bestaande gebouwen. We moeten kiezen voor kwaliteit boven kwantiteit. Ook de veranderende demografie speelt een rol. Tegen 2060 zal door gezinsverdunning en vergrijzing de helft van alle Belgische huishoudens uit één persoon bestaan. In dit kader heeft cohousing heel wat potentieel.  Voor wie op zoek is naar een duurzame en sociale woonoplossing, kan een cohousingproject een betaalbare en aangename thuis bieden. Cohousing moet daarom snel verankerd worden in het politieke beleid, vindt CD&V. Er is nood aan een duidelijk kader voor overheden, ontwikkelaars, geïnteresseerde eigenaars en bewoners. Een wettelijke definitie van nieuwe woonvormen zoals cohousing is daarbij de eerste noodzakelijke stap.

 

Een meerderheid van de bevolking is bereid om ruimte te delen met buren. Onderzoek door vastgoedfirma’s wijst uit dat  67% een gezamenlijke tuin wel zitten, 54% zelfs een gedeelde polyvalente ruimte. Het kenniscentrum ILIV voor Ikea ontdekte dat 32% het leuk zou vinden om met verschillende gezinnen een groot huis te delen, met de nodige privacy maar ook met gedeelde ruimtes. Meer diversiteit in het Vlaamse woonlandschap betekent dat we meer kansen krijgen om een passende en betaalbare woning te vinden. Cohousingprojecten winnen aan populariteit en het pleidooi voor verdichting vindt steeds meer ingang. Niet alleen particulieren, maar ook sociale huisvestingsmaatschappijen en zorginstellingen beschouwen gemeenschappelijk wonen als een alternatief. Het regelgevend kader in Vlaanderen moet hiervoor dan ook snel ontwikkeld worden.

 

Proefomgeving nieuwe woonvormen

In februari 2017 keurde het Vlaams Parlement een decreet goed dat een projectoproep voor proefomgevingen nieuwe woonvormen mogelijk maakt. Die wordt midden 2017 gelanceerd. De proefprojecten kunnen experimenteren in een regelluw kader voor een periode van zes jaar, met mogelijkheid tot verlenging met vier jaar.  CD&V juicht deze beslissing toe en is tevreden dat nieuwe woonvormen erkend worden als waardevolle ontwikkelingen in het beleid. Maar de regelgeving moet sneller schakelen, want in realiteit evolueren de nieuwe woonvormen aan een hoog tempo. Parallel met de proefprojecten moet het beleidskader worden uitgewerkt zodat huidige en toekomstige projecten voor gemeenschappelijk wonen verankerd kunnen worden. Ook voor gemeenten en steden is het belangrijk beroep te kunnen doen op een leidraad bij het uittekenen van hun beleid. Want het zijn de steden en gemeenten die verantwoordelijk zijn voor het al dan niet toelaten van nieuwe woonvormen in hun gebied en bij hen is er ook nog verwarring over wat er mogelijk is.

 

Nood aan definitie

Het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verankerden nieuwe woonvormen in hun regelgeving. Het gevolg: mensen vinden er steeds meer op een vlotte manier een gemeenschappelijke thuis. Steunpunt Wonen hamert in een onderzoek over nieuwe woonvormen op het belang van een definitie voor gemeenschappelijk wonen en doet een voorstel.  Om de regelgeving te kunnen verankeren moeten de definities van samenwonen en cohousing in de Vlaamse Wooncode worden ingeschreven.  Een definitie die van toepassing is op de experimenten staat weliswaar in het decreet, maar die slaat enkel op de projecten die als experiment zullen uitgebouwd worden.  Een algemeen geldende definitie in de Wooncode die gemeenschappelijk wonen in die basistekst van de woonreglementering in Vlaanderen is, is er dus nog niet.  Die moet er snel komen. Als er pas conclusies worden getrokken binnen zes jaar, na afloop van het proefproject, missen we de boot en dat kunnen we niet toelaten. We moeten dan ook, parallel met de proeftuinen, de knelpunten wegwerken.

 

Sociale zekerheid

Alleenstaanden die een uitkering – inkomensgarantie voor ouderen (IGO), leefloon, werkloosheidsvergoeding of invaliditeitsuitkering – komen vaak in de problemen als ze kiezen voor nieuwe woonvormen zoals cohousing omdat ze dan in de categorie van samenwonenden vallen, terwijl dat niet echt het geval is. Dat is nefast, want naast het beter benutten van woningen zorgt cohousing ook voor een sociale meerwaarde.

Ook voor deze uitkeringen is het uitwerken van een juridische definitie van cohousing van groot belang. Zo lang er geen definitie is, kan de administratie immers moeilijk juridische gevolgen verbinden aan een bepaalde vorm van gemeenschappelijk wonen. Van zodra die definitie er wel is, kan men mensen die samenwonen in een cohousingproject dat voldoet aan de definitie beschouwen als alleenstaande, zodat zij hun verhoogde uitkering niet verliezen. Dat is overigens al het geval voor mensen in Brussel en Wallonië.

 

Ruimtelijke ordening

Minister van Omgeving Joke Schauvliege neemt initiatief om binnen het beleidsdomein ruimtelijke ordening plaats te maken voor nieuwe woonvormen. Op dit moment is er een wijziging van de VCRO (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) in voorbereiding die de nodige flexibiliteit inbouwt. De wijziging maakt het mogelijk om af te wijken van oude(re) beperkende voorschriften die het ruimtelijk kader vastleggen. Steden en gemeenten behouden de bevoegdheid om hierin beslissingen te nemen. Deze wijziging zit momenteel in de pijplijn en zal binnenkort worden voorgesteld. Concreet: een oud verkavelingsvoorschrift met als voorwaarde dat er enkel eengezinswoningen mochten gebouwd worden, kan door een gemeente opzij geschoven worden zodat men er een cohousingproject van kan maken. Om de kwaliteit en leefbaarheid van de nieuwe woonvormen te bewaren, moeten er ook randvoorwaarden bepaald worden: is er ruimte voor bijkomende mobiliteit en parkeren,  of kunnen er alternatieven voor de wagen worden aangeboden zoals autodelen of fiets(delen)? Blijft er voldoende ruimte voor groen en wordt de leefkwaliteit gegarandeerd?

 

Kwaliteitsnormen

Ook de beoordeling van kwaliteitsnormen moet worden aangepast om alternatieve woonvormen te stimuleren. Een woning dient onder andere te voldoen aan een minimumoppervlakte.  Als de totale oppervlakte van de woonlokalen kleiner is dan de opgelegde minimumnorm, dan wordt de woning als te klein beschouwd. Ook het aantal woonlokalen wordt in beschouwing genomen voor de berekening. Dit vormt een obstakel voor gemeenschappelijk wonen, want  in het geval van gemeenschappelijke woonlokalen worden deze niet verrekend in de oppervlakteberekening. Een mogelijke oplossing is om bij de berekening van de individuele woonunits verbonden aan de gemeenschappelijke woning, ook telkens de gemeenschappelijke woonlokalen mee in rekening te brengen.

 

Nood aan kader

Cohousing is een toonvoorbeeld van meer doen met minder ruimte, zodat meer mensen goed en betaalbaar kunnen wonen. En dat op een manier die sociaal contact stimuleert en eenzaamheid tegengaat. Zowel in stedelijke kernen als in landelijke gebieden heeft cohousing potentieel. Het is dan ook belangrijk dat we gelijktijdig met de lopende proefprojecten een kader ontwikkelen waarbij de definitie van nieuwe woonvormen en cohousing in de Vlaamse Wooncode wordt vastgelegd en waarbij de contouren voor de steden en gemeenten duidelijker worden.

Categorie: 

Volg mij ook via

Foto's

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte, schrijf je in voor mijn nieuwsbrief. 

Meer info over het federaal beleid?

Voor meer informatie over het federale niveau, verwijs ik u graag door naar mijn collega, Nahima Lanjri.

Minder Hinder Rond Antwerpen

Klik op lees meer en kom alles te weten over de lopende en komende werken in en rond Antwerpen en de bijhorende minder hinder maatregelen.

Laat ook uw stem horen en deel jouw idee om de hinder van de werken te beperken!